Heraldiek Begrip Techniek Damascering

vastgelegd

Damascering

Engels: diapering, ook diaper · Frans: diapré · Duits: Damaszierung

Naast de tincturen zelf staat een bewerking die er als een tinctuur uitziet en het niet is. Damascering is de vrije ornamentele behandeling van een effen vlak in het wapen: rankwerk, ruitwerk, rozetten, loofwerk of een fijn arceerpatroon waarmee de tekenaar het veld, een herautstuk of een kwartier vult.

Laag 2

Historische oorsprong en evolutie

onzeker

Naast de tincturen zelf staat een bewerking die er als een tinctuur uitziet en het niet is. Damascering (Engels: diapering, ook diaper; Frans: diapré; Duits: Damaszierung) is de vrije ornamentele behandeling van een effen vlak in het wapen: rankwerk, ruitwerk, rozetten, loofwerk of een fijn arceerpatroon waarmee de tekenaar het veld, een herautstuk of een kwartier vult. Rietstap omschrijft haar in zijn Dictionnaire als “Arabesques ou lignes diversifiées dont on avait coutume autrefois de charger les grandes surfaces unies dans les armoiries, surtout le champ, mais également les pièces héraldiques” [hertaling: arabesken of gevarieerde lijnen waarmee men vroeger gewoon was de grote effen vlakken in wapens te beleggen, vooral het veld, maar ook de herautstukken], en voegt daar de beslissende regel aan toe: “Ces ornements sont arbitraires et ne forment pas une partie intégrante des armoiries, bien que dans plusieurs cas l’ignorance des dessinateurs les ait fait prendre pour tels” [hertaling: deze versieringen zijn willekeurig en vormen geen wezenlijk bestanddeel van het wapen, al heeft de onkunde van tekenaars ze in verscheidene gevallen daarvoor doen doorgaan] (noot 91). Fox-Davies formuleert hetzelfde vanuit de Engelse praktijk: damascering vormt nooit enig deel van het blazoen en wordt ambtelijk nooit genoteerd, omdat zij een louter artistiek detail is; juist daarom mag zij niet worden verward met een bezaaid veld, waarvan de strooifiguren wél tot het wapen behoren (noot 90). Ströhl geeft in het Duits het doel: “Um grössere, leere Schildflächen zu beleben, benutzt die Heroldskunst die Musterung und überzieht die Flächen tapetenartig mit feinen Ornamenten” [hertaling: om grotere, lege schildvlakken te verlevendigen gebruikt de heraldische kunst de patroonvorming en overtrekt zij de vlakken behangselachtig met fijne ornamenten] (noot 95). Damascering is daarmee het spiegelbeeld van de vrije schildvorm: zij mag naar het inzicht van de tekenaar worden toegepast, gewijzigd of volledig weggelaten, zonder dat het wapen verandert. Rietstap zegt dat met zoveel woorden bij zijn plaat met oude voorbeelden: de versiering had geen werkelijke waarde, kon van het ene moment op het andere worden veranderd en kon geheel achterwege blijven (noot 91).

Het Nederlandse woord is gedamasceerd. Steenkamp geeft de kortste omschrijving: “Indien het veld met arabesken of krullen versierd is, in de 17e eeuw veel gebruikelijk, dan heet dat gedamasceerd (naar de versierde klingen uit Damascus)” (noot 93). Zijn naamsverklaring uit het damasceren van klingen is hier niet aan een woordenboek getoetst [onzeker], en zijn datering in de zeventiende eeuw wijkt af van de vindplaatsen die Rietstap, Woodward en Fox-Davies aanvoeren, die alle in de dertiende, veertiende en vijftiende eeuw liggen; de bewerking is dus ouder dan Steenkamp suggereert. Rietstap gebruikt hetzelfde woord in het wapenboek van zijn Handboek, zonder het daar te omschrijven; de omschrijving staat in zijn Franstalige Dictionnaire (noot 92, noot 91).

De praktijk kent enkele vaste regels. De damascering moet ondergeschikt blijven aan de werkelijke figuren van het schild, hetzij door de zwakte van haar kleur, hetzij door de fijnheid van haar contour (noot 91). Zij wordt in gekleurd werk in dezelfde tinctuur als de ondergrond uitgevoerd, alleen in een andere schakering: lichter op een donkere, donkerder op een lichte grond (noot 91). Woodwards hoofdtekst zegt hetzelfde, maar zijn eigen glossarium omschrijft damascering juist als versiering “of a colour differing from the rest of the bearing”, een innerlijke tegenspraak in hetzelfde deel; de lezing van de hoofdtekst stemt met Rietstap overeen en wordt hier gevolgd (noot 94). En de gekozen vorm mag nooit met een beladen of een bezaaid veld kunnen worden verward, aldus de waarschuwing waarmee Fox-Davies zijn hoofdstuk besluit (noot 90). Dat een dicht ruit- of schubpatroon bovendien op een pelswerk kan lijken, is een gevolgtrekking uit dezelfde patroonvormen die de bronnen zelf niet trekken; zij staat hier als duiding en niet als vindplaats.

Laag 3

Regels, varianten en regionale verschillen

vastgelegd

De beroemdste voorbeelden staan in steen, email en glas. In Westminster Abbey draagt het schild van William de Valence, wiens grafbeeld van 1296 uit Limoges afkomstig is, een rijke damascering, en het tafelblad van de tombe was met een geëmailleerd ruitpatroon van de wapens van Engeland en Valence overtrokken (noot 97, noot 94). In dezelfde abdij is de wapenrok van het stenen grafbeeld van Edmund Crouchback, graaf van Lancaster, beschilderd met een damascering van het wapen van Engeland, afgewisseld met uitgeslagen adelaars en vierbladen (noot 97). Te Hatfield Broad Oak in Essex is een grafbeeld van een De Vere bewaard waarvan het gevierendeelde schild in het eerste en vierde kwartier met een ruitendamascering en in het tweede en derde met een cirkeldamascering is gebeeldhouwd; Woodward noemt daarnaast Beverley Minster als vroege Engelse vindplaats (noot 97, noot 94). Uit het Duitse gebied komt het wapenschild van de heren Von Schönneck in Grünenbergs Wappenbuch van 1483, dat Ströhl als voorbeeld van een randdamascering aanhaalt en dat Fox-Davies overneemt; in gebrandschilderd glas is het wapen van Richard de Beauchamp, graaf van Worcester, overleden 1422, een tweede voorbeeld (noot 95, noot 96). Rietstap zelf beeldt op zijn zevende plaat acht oude damasceringen af, waaronder het gevierendeelde wapen van het Engelse geslacht De Vere, geblazoeneerd als gevierendeeld van keel en goud met een ster in het eerste kwartier, waarbij de kwartieren van dezelfde tinctuur ook dezelfde damascering dragen, en het geschaakte wapen van het Engelse geslacht Warren (noot 91).

Dat de bewerking werkelijk tot misverstanden leidt, laat één gedocumenteerd geval zien. Het geslacht Rohitsch voerde volgens Ströhl in azuur, bezaaid met gouden Gleven (lelievormige lanspunten), een zilveren schuinbalk, “den sie später in Verkennung einer Damaszierung desselben mit roten Ringen belegten” [hertaling: die zij later, doordat zij een damascering ervan miskenden, met rode ringen beladen] (noot 98). Een vrije versiering werd zo tot een blijvende wapenfiguur. Dat is precies het gevaar waarvoor Rietstap en Fox-Davies waarschuwen, en het is de praktische reden waarom wie middeleeuwse wapenboeken, zegels en gebrandschilderde glazen leest, eerst moet vaststellen of een patroon geblazoeneerd is dan wel door de tekenaar is toegevoegd. Voor het wapen Loeff volgt daaruit een eenvoudige toets: het blazoen dat Rietstap registreert kent uitsluitend het veld van sinopel, de drie zilveren lelies, het gouden schildhoofd en de uitkomende adelaar van sabel (noot 27). Elke ornamentele vulling van het veld of van het schildhoofd in een afbeelding of op een zegel is daarmee damascering, en verandert het wapen niet. Goede afbeeldingen: de Commons-categorie Diapering in heraldry, met honderdzesenzestig bestanden en vier subcategorieën, waaronder Paillé in heraldry en het Livro do Armeiro-Mor (noot 119); voor de gedrukte voorbeeldenreeksen Ströhls tafel VII en de plaat X van Fox-Davies met de figuren 71 en 72 (noot 95, noot 96).

Laag 4

Beroemde voorbeelden

onzeker

Historisch hoort de damascering bij het handwerk, niet bij het perkament. Woodward noemt haar een wijze om het oppervlak van het veld en de herautstukken met arabeske patronen te versieren, vroeg in gebruik, en wijst op glas, beeldhouwwerk en email als de dragers van de mooiste voorbeelden (noot 94). Fox-Davies verklaart die verdeling technisch: in gebrandschilderd glas en email werd de damascering aangebracht om het licht te vangen en te breken, wat grote, verder vlakke oppervlakken veel meer schittering gaf; op een kleine perkamentschildering diende zij dat doel niet, en vroege wapenschilderingen blijken dan ook zelden of nooit gedamasceerd (noot 90). Met de opkomst van de heraldische gravure bij de Duitse kleinmeesters keerde zij terug, omdat het ontbreken van kleur lege vlakken achterliet die moesten worden gevuld (noot 90). In de achttiende eeuw sloeg dat door: Woodward wijst op de overdaad aan damascering in Duitse heraldische gravures, die de eigenlijke wapenfiguren onherkenbaar maakte, met de wapens in de latere edities van Siebmachers Wappenbuch als voorbeeld van dat verval (noot 94). Ströhl ordent het materiaal stilistisch en geeft op zijn zevende plaat acht gotische en vier renaissance-damasceringen (noot 95). Rietstap voegt daar een dateringscriterium aan toe: waar de tekenaar zich tot de versiering van de balken beperkt en het veld ongemoeid laat, is het schild betrekkelijk modern (noot 91).

Regionaal loopt het gebruik uiteen. In de Britse heraldiek is de damascering nooit ambtelijk erkend en blijft zij aan de tekenaar (noot 90); in het Duitse taalgebied is zij tot een eigen stijlmiddel met eigen naam en eigen platen uitgegroeid (noot 95). Op één punt is er verschil van mening. Woodward stelt dat de damascering in enkele buitenlandse wapens door voortdurend en gelijkvormig gebruik tot vast bestanddeel van het wapen is gestold en in het blazoen verschijnt, met het Normandische geslacht Tesson als voorbeeld; Fox-Davies noemt die bewering er een die hij eerder geneigd is te betwijfelen, en acht zulke gevallen in elk geval uiterst zeldzaam en zonder tegenhanger in de Britse heraldiek [onzeker] (noot 94, noot 90). Rietstaps Nederlandse wapenboek wijst in Woodwards richting: het neemt de damascering in vier blazoenen uitdrukkelijk op, bij Kretschmar (tegengepaald van keel en zilver, alles gedamasceerd), bij D’Olne (gevierendeeld, elk kwartier gedamasceerd), bij Senarclens de Grancy (in gedamasceerd goud een blauwe schuinbalk) en bij Van Spaen (in gedamasceerd zilver drie rode schuinbalken) (noot 92). Daarnaast kent hetzelfde Handboek een tweede toepassing buiten het schild: de helmen van markiezen waren van zilver met goud gedamasceerd, die van hertogen en soevereine vorsten van gedamasceerd goud (noot 92).

Noten

  1. 27. Rietstap, Armorial Général, tweede druk, deel II, Gouda 1887, blz. 88–89, lemma Loeff (Heusden, Breda), verbatim: “(Conc. d’arm., 28 août 1556.) De sin. à trois fleurs-de-lis mal-ordonnées d’arg.; au chef d’or, ch. d’une aigle iss. de sa. Brl. de sin. et d’arg. C.: un vol de sin., chaque aile ch. de trois fleurs-de-lis mal-ordonnées d’arg. L. d’arg. et de sin.” De wrong is dus van sinopel en zilver, de dekkleden van zilver en sinopel. Archive.org: armorialgnra02rietuoft, https://archive.org/details/armorialgnra02rietuoft. Voor mal-ordonnées: Woodward en Burnett, Treatise, deel I, glossarium, blz. 477–478, lemma Mal-ordonné, “Said of charges placed one and two”; Rietstaps eigen Dictionnaire (Armorial, deel I) heeft het lemma niet, wel “Mal-gironné”.
  2. 90. Fox-Davies, Complete Guide, 1909, blz. 90–91, het hoofdstukje “Diapering” (“The term semé must not be confused with diapering, for whilst the objects with which a field is semé are an integral part of the arms, diapering is a purely artistic and optional matter”; “Diaper never forms any part of the blazon, and is never officially noticed, being considered, and very properly allowed to remain, a purely artistic detail”; het lichtbrekende doel in glas en email; de afwezigheid in vroege perkamentschilderingen; de herleving bij de Duitse “little masters”; de twijfel aan Woodwards stelling over gestolde damascering; de slotwaarschuwing “care must always be taken that the decorative form employed cannot be mistaken for a field either charged or semé”). Archive.org: cu31924029796608, https://archive.org/details/cu31924029796608. Het register van het werk verwijst naar “Diapering, 90”.
  3. 91. Rietstap, Armorial Général, tweede druk, deel I, Gouda 1884, Dictionnaire des termes du blason, blz. XX, lemma Diapré (verbatim geciteerd in de tekst; verder: de vormen “rosettes, treillis, animaux, feuillages”, het overwicht van zegels en gebrandschilderde ramen, en de eis dat het diapré “soit par la faiblesse de sa couleur, soit par le délié de ses contours, occupe toujours une place subordonnée par rapport aux meubles véritables de l’écu”); en Explication des Planches, blz. XXXIX, bij Planche VII, fig. 1–8 (“Cette ornementation n’ayant aucune valeur réelle, pouvait être changée d’un moment à l’autre, et comme elle ne formait pas une partie intégrante des armes, elle pouvait être négligée tout-à-fait”; uitvoering in dezelfde kleur, lichter op donkere en donkerder op lichte grond; fig. 3 het gevierendeelde wapen van de Engelse familie De Vere, “écartelé de gueules et d’or” met een ster in het eerste kwartier, waarbij kwartieren van dezelfde tinctuur dezelfde damascering dragen; fig. 5 en 6 het geschaakte wapen van de Engelse familie Warren; fig. 7 en 8, waar alleen de schuinbalk en de twee dwarsbalken zijn versierd, “ce qui nous donne la preuve que ces écus datent d’un temps relativement moderne”). De OCR van archive.org leest de familienamen als “de Fere” en “ffarren”; de blazoenen (gevierendeeld van keel en goud met een ster; geschaakt) identificeren hen zonder twijfel als De Vere en Warren. Archive.org: armorialgnra01rietuoft, https://archive.org/details/armorialgnra01rietuoft
  4. 92. Rietstap, Handboek der Wapenkunde, 1875, blz. 406 (KRETSCHMAR: “Tegen-gepaald van rood en zilver, van drie stukken, alles gedamasceerd”), blz. 421 (OLNE (D’): “Gevierendeeld, elk kwartier gedamasceerd”), blz. 442 (SENARCLENS (DE) DE GRANCY: “In gedamasceerd goud een blaauwe schuinbalk”), blz. 448 (SPAEN (VAN): “1 en 4 in gedamasceerd zilver drie roode schuinbalken”) en blz. 287 (de helm der markiezen “van zilver met goud gedamasceerd”, die der hertogen en soevereine vorsten “een aanzienden gedamasceerden gouden helm”). HathiTrust: uc1.b2794297, https://babel.hathitrust.org/cgi/pt?id=uc1.b2794297 (vindplaatsen via de zoekfunctie binnen het boek op “gedamasceerd”, vijf treffers). Het Handboek gebruikt het woord dus wel, maar omschrijft het niet; de omschrijving staat in het Franstalige Dictionnaire, zie noot 91.
  5. 93. Steenkamp, Inleiding tot de Wapenkunde, 1939, blz. 18 (“Indien het veld met arabesken of krullen versierd is, in de 17e eeuw veel gebruikelijk, dan heet dat gedamasceerd (naar de versierde klingen uit Damascus)”). Archive.org: InleidingTotDeWapenkundeJ.C.P.W.A.Steenkamp1939, https://archive.org/details/InleidingTotDeWapenkundeJ.C.P.W.A.Steenkamp1939. De etymologische toelichting is Steenkamps eigen en is hier niet aan een woordenboek getoetst [onzeker]; zijn datering in de zeventiende eeuw staat naast de veel oudere vindplaatsen bij Rietstap, Woodward en Fox-Davies.
  6. 94. Woodward en Burnett, A Treatise on Heraldry, British and Foreign, deel I, Edinburgh/Londen 1896, blz. 123–124 (“Diapering is a mode of ornamenting the surface of the field and its Ordinaries with arabesque patterns, and was early practised”; het geëmailleerde schild van William de Valence, graaf van Pembroke, en het monument van Edmund Crouchback, graaf van Lancaster, in Westminster Abbey; vroege voorbeelden te Beverley Minster en te Hatfield; Duits wapenglas van de veertiende eeuw en later; “usually indicated by lighter or darker shades of the tincture employed”; de overdaad in achttiende-eeuwse Duitse gravures en in de latere edities van Siebmachers Wappenbuch; het grafbeeld in de Temple Church; het Normandische geslacht Tesson, waar de damascering “has become a regular charge, and appears as an integral part of the blazon”, op gezag van Watsons aantekeningen bij Planché’s Roll in the Herald and Genealogist, deel VIII) en blz. 423, glossarium, lemma DIAPERED (F. diapré), “Covered with fret-work or floral enrichment of a colour differing from the rest of the bearing” – een formulering die met de hoofdtekst van hetzelfde deel in tegenspraak is. Archive.org: treatiseonherald01wood, https://archive.org/details/treatiseonherald01wood
  7. 95. H. G. Ströhl, Heraldischer Atlas, Stuttgart 1899, tekst bij Tafel VII (“Kreuze und gemeine, leblose Figuren, nebst gotischen und Renaissance-Damaszierungen”), afdeling Damaszierungen (“Um grössere, leere Schildflächen zu beleben, benutzt die Heroldskunst die Musterung und überzieht die Flächen tapetenartig mit feinen Ornamenten”; acht gotische en vier renaissance-damasceringen op de plaat; “Ein recht hübsches Muster einer Borddamaszierung bietet Grünenberg in seinem Wappenbuche von 1483”; fig. 53, Wappenschild der Herren von Schönneck). Archive.org: hugo-gerhard-stroehl-heraldischer-atlas, https://archive.org/details/hugo-gerhard-stroehl-heraldischer-atlas. De OCR van dit exemplaar bevat geen betrouwbare paginanummering; de vindplaats is daarom per plaat en afdeling gegeven, en de OCR leest de plaatverwijzing in de lopende tekst als “Tafel VI” waar de plaattitel Tafel VII geeft.
  8. 96. Fox-Davies, The Art of Heraldry, 1904, blz. 53–54, hoofdstukje “Diapering” (dezelfde tekst als in de Complete Guide van 1909, met daarbij fig. 71, het wapen van Von Schonneck naar Grünenbergs Wappenbuch van 1483, fig. 72, het wapen van Richard de Beauchamp, graaf van Worcester, overleden 1422, naar een weergave in gebrandschilderd glas, en Plate X met gotische en renaissance-damasceringen). Archive.org: artofheraldryenc00foxd, https://archive.org/details/artofheraldryenc00foxd
  9. 97. Fox-Davies, The Art of Heraldry, 1904, blz. 26–27 (William de Valence, houten grafbeeld met koperen platen uit Limoges, 1296: “The table of the tomb was covered with an enamelled lozengy diaper of the arms of England and Valence”, en “The shield of De Valence, happily remaining, represents the arms richly diapered”; te Hatfield Broad Oak in Essex een grafbeeld van een De Vere, “the quarterly shield carved alternately 1 and 4 with a diaper of lozenges, and 2 and 3 of circles”; Edmund Crouchback, graaf van Lancaster, 1296, wiens wapenrok is beschilderd met “a diaper of England differenced by a label of France, and alternating with eagles displayed and quatrefoils”). Dit hoofdstuk over grafbeelden is in The Art of Heraldry van andere hand dan het hoofdstuk over damascering; de paginering is uit de scan afgeleid, omdat de OCR het paginacijfer 27 overslaat.
  10. 98. Ströhl, Heraldischer Atlas, 1899, in de beschrijving van een ruiterzegel bij de zegelplaten, met verwijzing naar Tafel XXII, fig. 4, en onmiddellijk gevolgd door de beschrijving van het hertogelijke muntzegel van Frederik III van 1479 (“Die Rohitscher im blauen, mit goldenen Gleven bestreuten Felde einen silbernen Schrägrechtsbalken, den sie später in Verkennung einer Damaszierung desselben mit roten Ringen belegten”); dezelfde passage in Engelse bewerking bij Fox-Davies, The Art of Heraldry, 1904, blz. 469 (“Azure, semé of ‘gleven’ or, a bend argent, which they later on (misunderstanding a diapering of the same) charged with annulets gules”). Voor de Duitse tekst geldt hetzelfde paginavoorbehoud als in noot 95.
  11. 119. Wikimedia Commons, Category:Diapering in heraldry, geraadpleegd 28 juli 2026: honderdzesenzestig bestanden en vier subcategorieën (Category:Paillé in heraldry, Category:Coats of arms of Brünnow family, Category:Livro do Armeiro-Mor en Category:SVG coat of arms elements - diapering).

De nootnummers volgen het bronhoofdstuk van het naslagwerk: 06-deel-iii-kleuren-metalen-en-pelswerken.md

Citeer dit lemma als: „Damascering”, in: Heraldische encyclopedie van loeff.nl, https://cms.loeff.nl/heraldiek/begrip/damascering/, versie van 11 augustus 2026. Machineleesbare versie: markdown
De archivaris
Antwoorden met bron en noot
Goedendag. Ik ben de archivaris van loeff.nl en antwoord op grond van de heraldische encyclopedie en de familiedossiers. Waarmee kan ik van dienst zijn?
Wat betekent de kleur groen in een wapen? Waarom zijn er twee wapenbrieven uit 1556? Welk wapen hoort bij mijn achternaam?
Voorproef: de antwoorden zijn voorbeelden uit het naslagwerk. De volledige archivaris volgt bij de livegang.